GR10 – Terugblik

Sep 7, 2023 | GR10

Lieve allemaal,

Ik ben nu zo’n vier weken terug van mijn GR10 avontuur, weer thuis na vele weken dagelijks wandelen, buiten zijn en alleen zijn. Het is heerlijk om weer thuis te zijn, maar het is zeker ook een flinke overstap.

Ik had eigenlijk al direct na de laatste dag willen terugkijken op wat er allemaal achter me lag, maar het was daarvoor op dat moment nog te vers. Te veel indrukken, te veel gevoelens, te veel moeheid. Daarnaast werd ik zo misselijk in de bus die me van Perpignan naar Bordeaux bracht, dat met één vinger op mijn telefoon typen er niet inzat.

Maar nu is de tijd dan toch rijp!

Ik kijk met ongelooflijk veel plezier terug op mijn tocht. Dat ik dit heb kunnen doen – met steun van mijn thuisfront – is iets waar ik nog elke dag dankbaar voor ben. Ik ben zo blij dat ik de stap heb durven nemen – iets wat niet vanzelfsprekend is voor iemand die best een bangerik is.

Wie mijn blog heeft gevolgd weet dat ik op veel momenten onzeker, in tranen of zelfs licht in paniek was, maar dat betekent helemaal niet dat dat de wandeling minder bijzonder of waardevol heeft gemaakt. 

Op een bepaalde manier heeft juist het feit dat het niet altijd van een leien dakje ging de tocht voor mij diepgang gegeven. Ik ben mezelf aan alle kanten tegengekomen – fysiek en emotioneel, maar ben ook dieper in mezelf geland, en daar ben ik heel blij mee.

Ik ging soms door diepe dalen, maar zodra ik weer op pad was – de rugzak weer op de rug en omringd door de natuur – was ik weer helemaal gelukkig. Misschien niet op elk moment, elke dag, maar als geheel heb ik me steeds in mijn element gevoeld. 

Veel mensen hebben me gevraagd hoe het nu is om weer in Nederland te zijn. Daar zitten meerdere kanten aan.

Allereerst: ik ben heel blij om weer thuis te zijn

Ik vind het heerlijk om weer terug te zijn in mijn gezin. De laatste dagen van mijn tocht keek ik ontzettend uit naar het moment dat ik Steven en Leander weer zou zien.

Mijn mannen!

Onlangs is Hebe teruggekomen van haar tocht naar Santiago, en toen was het gezin weer compleet. Heel fijn om weer terug te zijn in mijn warme, vertrouwde nest.

Daarnaast vind ik het ontzettend fijn om mijn moeder, broer en vriendinnen en vrienden weer te zien. Ik heb relatief weinig moeite gehad met het alleen zijn in de bergen, maar ik heb me steeds goed gerealiseerd dat dat voor mij alleen kon bij de gratie van dat ik thuis een heerlijk gezin en een warm netwerk van familie en vrienden en vriendinnen om me heen heb. 

Op een aantal andere vlakken is de overstap minder makkelijk.

Zijn in de natuur

Ik ben tijdens mijn tocht vrijwel de hele tijd omringd geweest door schitterende natuur. 

Baskenland was daarbij een ontdekking: het eenzame, groene, modderige landschap met de steile afdalingen en de mysterieuze mist kende ik nog helemaal niet. 

De hoge toppen, de diepblauwe meertjes en de verre uitzichten van de Centrale Pyreneeën waren natuurlijk fantastisch. Voor een gedeelte kende ik dit gebied al, maar het solo wandelen in dit gebied gaf er een heel nieuwe dimensie aan. 

Met name de laatste periode in de oostelijke Pyreneeën is mij het meest bijgebleven. Daar was ik vrijwel hele dagen alleen in de wildernis. Ik heb enorm genoten van de de woestheid en ongereptheid van de mediterrane Pyreneeën: de kronkelige paadjes, de uitgesleten steile, diepliggende mini-valleitjes, de snelstromende riviertjes, de huizenhoge rotsblokken, de wonderlijk gevormde kurkeiken. 

Ik liep daar midden in het landschap, helemaal onderdeel van de natuur.

Dit soort afgelegen wildernis is er niet in Nederland, en dat mis ik dan ook. Helemaal omdat ik in Leidsche Rijn woon, en niet net naast een of ander mooi natuurgebied waar ik in kan verdwalen (weet iemand toevallig nog een stukje grond te koop?). 

Het is nu de kunst om te waarderen wat er wél is, en dat lukt heel goed. Want als ik door het bos loop – jammer genoeg niet naast de deur – kan ik nog steeds even goed genieten van de zon die door de bladeren speelt. En elke dag zie ik nu de herfstige kleuren van de wilde bloemen in het Maximapark om de hoek – schitterend. Maar de woestheid en verlatenheid die de Pyreneeën kenmerken, en waar ik zo van houd, die is hier niet. Gelukkig lopen de bergen niet weg, ik zal er vast nog vaker komen,

Het de hele tijd buiten zijn

Tijdens mijn tocht ben ik nauwelijks binnen geweest. Natuurlijk ‘s nachts als ik ging slapen wel – dan was ik in mijn tent – maar daar was de afstand tussen binnen- en buiten heel klein. Twee stukjes dun doek en twee ritsen scheidden mij van de buitenlucht.

Ik zat natuurlijk in een relatief zuidelijk gedeelte van Europa. Ik heb het nauwelijks koud gehad – alleen soms ‘s ochtends vroeg, maar door de zon warmde het altijd snel op. Ook heb ik weinig regen gehad. Met natte kleren piep je natuurlijk al snel anders en wordt binnen zijn een grote luxe. Het is niet voor niets dat we in huizen wonen: die beschermen ons tegen de elementen.

Maar huizen kunnen je ook een gevoel van opsluiting geven. Een tijdje geleden las ik ergens dat in onze wereld ‘buiten’ bijna altijd een soort overgangsgebied is tussen twee ‘binnens’. We gaan ‘even naar buiten’, maar standaard zitten we binnen. Daardoor raak je afgesloten van de frisse lucht, de zon, de wind, de regen, de planten, de bomen, de vogels en de open hemel. Je krijgt veel minder daglicht binnen – en dat heeft ongemerkt veel  invloed. Je kijkt de hele tijd tegen muren en een plafond aan, en dat wordt je standaardsituatie. We weten al bijna niet meer anders. 

Waar het tijdens mijn tocht prima was om met 15 graden buiten te eten, ligt dat thuis minder voor de hand. Om met een jas aan buiten te eten – dat zijn we gewoon niet gewend. Het is veel handiger om dan even de pannen binnen op tafel te zetten. En zo raak je er langzamerhand aan gewend om voor 90% binnen te leven. Zonder het door te hebben verlies je daardoor toch het contact met buiten.

Nu is het gelukkig heerlijk weer, dus ik ben zoveel mogelijk buiten, en wij hebben dan ook nog de luxe van een tuintje. Maar veel dingen die ik in het dagelijks leven nodig heb (bijvoorbeeld de computer waar ik nu aan zit te tikken) staan toch binnen.

Dat brengt me bij het volgende:

De eenvoud van het leven

Tijdens mijn tocht was het leven simpel. Lopen, eten en slapen, daaruit bestond mijn dag. Het enige wat ik daarnaast deed – als ik er tijd en energie voor had – was het tikken van mijn blog. Nu weer thuis is het ingewikkelder. 

Om een voorbeeld te noemen: het huishouden in de tent bestond uit het schoonvegen van de bodem van de tent voordat ik hem opbrak, en het afspoelen of schoonvegen van één mok, één pannetje, één lepel en één zakmes. Thuis betekent huishouden: stofzuigen, ramen lappen, een heel huis opgeruimd houden, de tuin bijhouden, de wc poetsen en de badkamer schoonmaken. 

Dit was de afwas…

Ook viel er tijdens mijn leven weinig te organiseren. Ik moest op tijd boodschappen doen, goed het wandelboekje lezen en de kaart bekijken, en daarmee hield het zo’n beetje op. Thuis is het leven een stuk ingewikkelder door allerlei afspraken, deadlines, klussen, e-mails, beslissingen en noem het maar op. 

Op zich zijn al die dingen helemaal niet erg of soms zelfs heel leuk, maar het zijn er zo véél! Ze passen niet altijd in mijn hoofd, daarom komen ze op to-do-lijstjes, maar ook die lopen al snel over. Door een tijdje in een totaal simpele omgeving te zijn  wordt duidelijk hoe vol mijn leven soms kan zijn. 

Toen ik thuiskwam was mijn eerste neiging dan ook om de dingen zo veel mogelijk te versimpelen, en ik hoop die versimpeling nog verder door te voeren. Maar dat gaat niet vanzelf.

Weinig spullen

Tijdens mijn tocht had ik maar heel weinig spullen bij me. Mijn rugzak woog 8 kilo. Mijn vader zei destijds, na thuiskomst van zijn tocht naar Santiago de Compostela: ‘Als ik één ding geleerd heb, is het hoe weinig een mens eigenlijk nodig heeft’. En zo is het.

Zo heerljk weinig spullen!

De spullen die ik bij me had verschillen qua functie niet zoveel van wat de jagers en verzamelaars duizenden jaren geleden al hadden: iets om vuur te maken, iets om te snijden, voedsel om te eten, water om te drinken, een paar kleren om aan te trekken (en niet een kast vol), en een dak boven het hoofd. Het enige wezenlijke verschil was dat ik elektronica bij me had: een telefoon, een hoofdlampje, een UV-waterzuiveraar, een powerbank en een Garmin Inreach waarmee ik ook zonder mobiel bereik hulpdiensten zou kunnen bereiken. 

Thuis zijn er zo ontzettend veel meer ‘spullen’. Jaren geleden heb ik al het hele huis uitgekamd op overbodige spullen, toch zijn er nog ontzettend veel over. Dingen die nodig of handig zijn, die mooi zijn of waar ik aan gehecht ben, maar ze nemen ruimte in – letterlijk en figuurlijk.

Het mooie van een tijd lang met weinig spullen leven is dat je kleine dingen meer gaat waarderen. In Saint Jean Pied de Port was er in de pelgrimsherberg bijvoorbeeld een waterkoker. Wat een luxe! Water tappen, drie minuten wachten en klaar is Kees! Een stoel, een tafel, een koffiezetapparaat – ik kon er bijna geen afscheid van nemen. 

Weinig om over na te denken.

Een verschil is ook dat er tijdens de tocht weinig was om over na te denken. Het pad ligt in principe vast – volg de rood-witte strepen van de GR10! 

In het begin speelden de lastige vragen en de pieker-dingen van het ‘gewone leven’ nog op, maar al snel raakten die op de achtergrond, en bleef vooral de waarneming van het (al dan niet innerlijke) landschap over.

Tijdens het wandelen liep ik af en toe wel tegen flinke obstakels op. Soms durfde ik bepaalde stukken niet aan, had ik last van mijn achillespees of dreigde er onweer. Dan moest ik een beslissing nemen, en daarbij had ik mijn hersenen natuurlijk nodig. Maar meestal ontaardde het denken niet in piekeren, omdat het vrij ‘nuchtere’ beslissingen betrof (‘sla ik een stuk over of niet?’, ‘maak ik een omweg of niet?’, ‘daal ik af naar het dal of niet’?). 

Het was niet altijd makkelijk, maar was de beslissing eenmaal genomen, dan maakte de stress van de onzekerheid vrij snel plaats voor het simpele genieten van het wandelen. Dan zat ik weer helemaal in het landschap, en viel er weer heel weinig te denken, alleen maar waar te nemen.

Ik heb wel veel gemijmerd, dat zou je ook een vorm van denken kunnen noemen. Maar dat was een volstrekt stressloze manier van denken, niet doelgericht, niet probleemgericht. Het was denken vanuit een diepere bron. Soms kwam daar wel verdriet bij boven wellen (vooral over het verlies van mijn vader die iets meer dan een jaar geleden overleden is). Maar dat voelde alleen maar als waardevol en helend.

Nu in Nederland valt er weer veel te denken, en dat kan bij mij maar al te makkelijk in iets zorgelijks overgaan. Voor mij is het de uitdaging om mijn denkvermogen te gebruiken voor zinvolle dingen (zoals het schrijven van dit blog) en niet voor het nodeloze tobben – waar ik soms wel een handje van kan hebben. 

Veel bewegen

Tijdens mijn tocht was ik een heel groot gedeelte van tijd in beweging. De wekker stond meestal om zes uur, en vaak was ik al rond acht uur op pad. Dan wandelde ik meestal tot het einde van de middag. Op ‘gewone’ wandeldagen wandelde ik zo’n acht tot tien uur, en zette ik zo’n beetje tussen de 25.000 en 45.000 stappen. Op de dagen dat ik voor mijn gevoel nauwelijks gewandeld heb, zette ik toch vaak nog met gemak 10.000 stappen. 

Thuis is dat echt héél anders. In de Pyreneeën was wandelen mijn enige dagbesteding, en nu heb ik mijn tijd nodig voor andere dingen. Ik wandel natuurlijk nog steeds – elke dag in elk geval een rondje door het park, en in het weekend altijd wel een langere wandeling. Maar op gewone dagen ben ik grotendeels weer terug in het zittende bestaan, en ik moet veel meer mijn best doen om genoeg te bewegen. 

Er zijn ook een aantal dingen die ik helemaal niet mis, zoals:

Onweer en harde wind

Met name de eerste helft van de tocht dreigde er heel vaak onweer. Dat vond ik erg lastig om mee om te gaan: de gedachte om midden in de bergen te worden overvallen door onweer vond ik doodeng. 

Ik heb me natuurlijk wel voorbereid op wat je moet doen in geval van onweer. Als je overvallen wordt door onweer moet je op twee voeten gaan hurken, zodat het spanningsverschil tussen je voeten zo klein mogelijk is. Maar hoe lang kan ik op twee voeten hurken? Twintig seconden? Een minuut?

Daarnaast weet ik dat je je tent niet moet opzetten onder een eenzame boom, niet op een open vlakte, niet bij uitstekende rotsen, niet naast water. Maar waar dan wel? 

Het veiligste voelde het dan nog om mijn tent op te zetten in de buurt van een hut. Maar de afstand tussen de tent en het bivakveld is meestal best groot, en ik zie me al in het holst van de nacht struikelend over de stenen naar de hut lopen, om daar te gaan schuilen.

Ik kon natuurlijk ook besluiten om in een hut te gaan slapen, maar dat was niet altijd een oplossing. Hutten zijn in het hoogseizoen vaak overvol, daarom moet je vaak dagen van tevoren reserveren – als dat al lukt.

Gelukkig ben ik ondanks alle onweersdreiging niet één keer in onweer terechtgekomen. Maar juist het feit dat er op heel veel dagen onweer wordt voorspeld dat uiteindelijk toch niet losbarst, maakt het ook lastig om met weersvoorspellingen om te gaan. Moet je ze nou serieus nemen of niet? 

Een ander ding was de harde wind. Eén nacht heb ik in mijn eentje gebivakkeerd, zonder een hut of andere mensen in de buurt. De hemel was wolkenloos, en er was geen onweer voorspeld. Ideaal, zo leek het! Maar nee: ‘s nachts stak er een keiharde wind op, en dat maakte een ontzettend lawaai. Lang niet zo eng als onweer, maar het voelde toch heel bedreigend. Ik heb de halve nacht rechtop in mijn bed gezeten.

Kortom: ik mag een beetje mopperen over dat het leven in een huis je zo afschermt van de elementen, maar natuurlijk is het een grote zegen dat je je veilig kunt voelen in je huis, beschermd tegen de elementen. 

De zwaarte van het lopen

Hoe heerlijk ik het ook vond om te lopen, het was fysiek behoorlijk zwaar. Ik had misschien net op een wat minder pittige tocht moeten mikken, met wat minder grote hoogteverschillen (nu was het gemiddelde hoogteverschil per dag 1000 meter). Maar ja – de Pyreneeën zijn zó mooi! Alleen soms was het wel echt afzien.

Afzien!!!

Ik baal er wel van dat ik zoveel minder beweeg nu, maar ik ben blij dat dat echte afzien nu voorbij is. Er zit iets moois in een tijd lang je fysieke grenzen leren kennen, maar op een gegeven moment vond ik het echt genoeg geweest.

Niet in het Nederlands of Engels kunnen communiceren.

Ik kwam heel weinig Nederlanders of Engelstaligen tegen op mijn pad, en hoe je het ook wendt of keert: veel Fransen spreken geen Engels. De enige taal die daardoor overbleef was Frans. 

Mijn Frans is helemaal niet zo slecht, en communiceren ging best goed, maar het kostte me veel energie. Ik kon vaak de moed niet meer opbrengen om even een kletspraatje te maken als ik al moe was aan het eind van de dag. 

Aan het begin van mijn tocht had ik me – wellicht wat naïef – voorgenomen om vloeiend Frans te spreken aan het eind van mijn tocht, maar daar is helaas niet veel van terechtgekomen. 

Ik had mezelf tot doel gesteld om elke dag tien zinnetjes Frans te leren. Dat was een geweldig goed idee, maar al na drie dagen gaf ik er de brui aan. De dag was zo overvol met wandelen en daarnaast het schrijven van het blog: ik had werkelijk geen energie of tijd meer over. Hierdoor bleef ik op vrijwel hetzelfde niveau bungelen en bleef ik dezelfde fouten herhalen. Geen ramp, maar wel jammer.

Wat ik wel heb geleerd is om me gewoon maar op hoop van zegen in een gesprek te gooien. Voorheen zou ik misschien maar gewoon mijn mond hebben gehouden, maar nu stortte ik me in het diepe met mijn hakkelende Frans. En dat is winst. Bij ons thuis is Steven degene die vrijwel vloeiend Frans spreekt – dus op vakanties kon ik me achter zijn rug verschuilen en hem de lastige communicatie-klusjes toespelen. Nu was er geen ontsnappen aan, en dat heeft mijn Frans toch wel op een hoger peil gebracht.

Tijdens het wandelen heb ik veel na kunnen denken over het wandelen zelf. 

Over het solo-wandelen

Voor mij was het een grote stap om solo te gaan wandelen. Er zat  altijd de angst voor ‘enge mannen’. Die angst zit diep, en ik denk dat er ook veel andere vrouwen mee op zijn gegroeid. ‘Niet alleen over straat!’ is het devies, en al helemaal: ‘niet alleen door het bos!’. En begrijpelijk – vrouwen worden nog steeds slachtoffer van (seksueel) geweld buitenshuis – het is naïef als je daar je ogen voor sluit.

Maar die voorzichtigheid heeft een prijs. Altijd alert zijn als je in je eentje in de natuur wandelt, maakt het wandelen een stuk minder aantrekkelijk. Het is niet leuk als er steeds als je in de verte iemand ziet aankomen een alarm afgaat in je hoofd, met de bijbehorende stress en angst. 

Voor mij was het verlangen om alléén te gaan wandelen en kamperen in de natuur uiteindelijk groter dan mijn angst, maar het heeft lang geduurd voordat ik werkelijk de eerste stap heb gezet. 

Pas vorig jaar ben ik voor het eerst een keer in Nederland in mijn eentje gaan solo wandelen en kamperen. In totaal ben ik die eerste keer maar een etmaal weg geweest. Ik vertrok in de middag en was de volgende middag rond dezelfde tijd weer thuis. Ik was er niet zeker van hoe lang ik me op mijn gemak zou voelen, en hoe het zou zijn om in mijn eentje in een tent te liggen, dus ik heb het allemaal heel klein gehouden. 

De eerste dag liep ik zes kilometer, en de tweede dag tien (van station Ede-Wageningen naar station Wolfheze), en ik overnachtte op een natuurcamping die ik al kende (De Bosbeek in Bennekom). Ik vond het heel spannend – het was een overwinning op mezelf.

De eerste zes kilometers liep ik door een donker beukenbos, ik kwam weinig mensen tegen, en de oude angst voor ‘enge mannen’ kwam steeds naar boven. 

Ook de eerste avond bij de de tent was niet makkelijk. Ten eerste was er vrijwel niemand op de camping, en het was ook nog eens midzomer, dus het bleef ‘s avonds erg lang licht. Daar zat ik dan, in mijn eentje op de camping, met mijn gestresste gevoel. 

Ook ‘s nachts ben ik half wakker geweest – ik voelde me helemaal niet op mijn gemak. Bij elk ritseltje en kraakje hoorde ik de moordenaars en verkrachters bij wijze van spreken al om de tent lopen. 

Maar de volgende ochtend werd ik met een groot gevoel van tevredenheid wakker: ik had een barrière overwonnen. De rest van de wandeling was één grote bevestiging: dit was wat ik wilde doen. Het alleen zijn in de natuur heeft me tijdens die 24 uur heel veel gebracht. En daar wilde ik wel meer van ervaren.

Niet lang daarna deed ik mijn tweede bescheiden tocht, van twee dagen, met één overnachting. Ditmaal was het aantal kilometers veel groter, maar de tocht als geheel was veel makkelijker. Ik sliep prima, het lopen ging goed. Waar tijdens de ene tocht een dag met zes kilometer al heel lang voelde, was de volgende tocht een dag van 18 kilometer geen probleem. En waar ik de eerste keer de halve nacht rechtop in bed heb gezeten, sliep ik tijdens de tweede nacht als een roos. Ik was er al helemaal aan gewend. Het volgende tweedaagse tochtje volgde al snel (een rondje Lunteren – Otterlo – Lunteren). Geweldig leuk allemaal.

In het najaar deed ik mijn eerste 8-daagse tocht – een stukje van de ‘Chemin de Saint Jacques’ – het Franse deel van de Camino de Santiago. 

En daar werd nogmaals bevestigd wat ik eerder had ervaren: solo-wandelen is fantastisch. Met die ervaring op zak kwam de volgende droom binnen handbereik: de GR10 lopen. Binnen één jaar van 24 uur bibberend van de stress een bescheiden stukje wandelen in Nederland, naar 38 dagen lang met redelijk wat zelfvertrouwen in de Pyreneeën. Zo snel kan het kennelijk gaan, en ik ben daar nog steeds verbaasd over.

Helemaal tevreden in mijn tentje

Dat brengt me op het volgende punt:

Over de waarde van het klein beginnen

Ik weet bijna zeker dat er veel meer mensen zijn die ook een verlangen hebben om solo te gaan wandelen (en dat eventueel ook met een tent op hun rug willen doen), maar die er tegenaan hikken om daadwerkelijk op pad te gaan. Tegen hen zou ik willen zeggen: ‘Doe het’! Je gaat er zoveel plezier van hebben! Je kunt heel klein beginnen, en het – als het bevalt – daarna uitbouwen.

Voor mij was klein beginnen een tocht met een tent op de rug. Maar je kunt het ook nog kleiner maken, bijvoorbeeld door eerst een wandeling zonder overnachting te maken. En die wandeling hoeft ook helemaal niet lang te zijn, en kan ook bij je voordeur beginnen. Dan wandel je zo lang en zo ver als prettig is, en langzamerhand kun je je actieradius uitbreiden. 

Ook als je liever niet in een tent overnacht, zijn er natuurlijk altijd mogelijkheden om in een trekkershut, natuurvriendenhuis, bed & breakfast of hotel te gaan slapen. Je kunt altijd nog overstappen naar de tent, als je dat aantrekt.

Eventueel kun je je tocht daarna verlengen naar meerdere dagen. Mijn ervaring is dat je bij een tweedaagse tocht al het gevoel kunt hebben op een mini-vakantie te zijn geweest. 

Zo verleg je je grenzen, letterlijk stap voor stap. Het spannende hoeft hem niet alleen te zitten in het aantal kilometers, of het aantal kilo’s op je rug. Maar ook simpelweg een dag alleen zijn kan in eerste instantie een uitdaging zijn, zonder de veiligheid van je eigen huis en je gewone routines. Mijn ervaring is echter dat je grenzen verbazingwekkend snel kunnen opschuiven. 

Van bibberend op een Nederlandse camping naar helemaal tevreden in mijn upje in de Pyreneeën

Over de waarde van alléén zijn.

De afgelopen 20 jaar ben ik maar zelden voor langere tijd alleen geweest. De eerste keer dat ik sinds tijden echt dagenlang zonder man en kinderen was, was vorig jaar, tijdens de 8-daagse Chemin de Saint Jacques waar ik het net over had. 

Maar ook al liep ik die tocht in mijn eentje – echt alleen was ik er niet. Elke avond sliep ik in een pelgrimsherberg, waar ik veel mede-wandelaars tegenkwam. Overdag was ik alleen, maar het pad was druk belopen, en ik zag altijd wel ergens voor of achter mij andere wandelaars lopen.

In de Pyreneeën was het heel anders. Ik ben daar lange tijd alleen geweest. Het lopen deed ik sowieso altijd alleen – ik liep véél langzamer dan wie dan ook. Af en toe maakte ik een kletspraatje onderweg, of ‘s avonds op een bivakveld, maar meestal was dat in het Frans – en dat ging niet altijd vanzelf. Af en toe belde ik met het thuisfront (maar ook lang niet elke dag, en ik had ook niet elke dag bereik). Wel had ik bijna elke dag via Whatsapp contact, en daarnaast voelde het schrijven van mijn blog als het hebben van contact met thuis.

Ik heb me nooit echt eenzaam gevoeld, maar vond het wel lastig om in sommige situaties beslissingen in mijn eentje te nemen. En soms voelde ik me wel even echt alleen. 

Ik herinner me dat ik op een dag een lange helling voor me had, het regende, ik had net die avond ervoor hagel op mijn tent gehad, ik was bezorgd over onweer die avond – en toen zag ik andere mensen gezellig met z’n tweeën babbelend de berg op lopen. 

Toen voelde ik wel echt even een steek van jaloezie: ‘Dat wil ik ook’! Maar dit duurde nooit lang. Zodra ik weer aan het lopen was, vloeide alle tobberigheid al snel weer weg.

Voor mij is het alléén zijn heel betekenisvol geweest. Om te voelen dat ik ook kan floreren in mijn eentje – en niet per se verpieter als ik een tijdje zonder anderen om me heen ben. 

Maar ook om de gelegenheid te hebben om meer de diepte in te duiken. Als je lange tijd niet praat, verstomt ook langzamerhand de innerlijke zeurkous, en komt er ruimte voor meer wezenlijk gemijmer. 

Ik merkte dat hoe langer ik liep, hoe minder ik ging denken, totdat dat denken op een gegeven moment voor mijn gevoel stilviel. Ik ‘wandelde zonder hoofd’, en was één met het landschap. Misschien is dit wel het belangrijkste wat ik mee heb genomen uit de Pyreneeën: het leven zonder hoofd. Lastig om precies uit te leggen wat ik daarmee bedoel. Het zorgelijke ‘ikje’ verdween naar de achtergrond: er was alleen nog maar de ervaring van het landschap. Bevrijdend.

Over het hebben van een ‘identiteit’

Wat daaraan vast zit, is mijn ervaring dat je ‘identiteit’ steeds minder belangrijk wordt als je langere tijd alleen bent. Met identiteit bedoel ik dan wie je zelf denkt dat je bent, het verhaal dat je ophangt naar de buitenwereld over jezelf. De jas die je jezelf aantrekt, en waarmee je je naar buiten presenteert, maar waar je voor je het weet ook zelf in gaat geloven dat hij bij je hoort.

Als je langere tijd alleen bent, vraagt er niemand naar die jas, en zelf vergeet je er ook naar te kijken – of zelfs dat hij bestaat. Ik vond dat zelf heel prettig. Allerlei hersenkronkels die deze jas oproept vallen weg. Er is niemand die wat van je vindt, of waarvan jij denkt dat-ie wat van je vindt. Dat leverde mij veel lichtheid op.

Het zijn in de natuur speelt daar ook in mee. De bergen beoordelen je niet. De bomen en de dieren hebben geen mening over jou. Ze zijn alleen maar. En dat is inspirerend – ze nodigen uit om zelf ook hetzelfde te doen.

Over aanvaarding van de dingen zoals ze zijn.

Daarbij hoorde voor mij ook het aanvaarden van de dingen zoals ze zijn. Stokken vergeten? Niet zeuren, maar teruglopen. Het regent? Okee: regenpak aan. Scheur in de tent, en eten gestolen door een vos? Ai, even slikken – hoe zorg ik nu voor een middagmaal? Er was niemand om tegen te klagen of de schuld te geven, dus dat had geen zin. 

Ik merkte bij mezelf een soort aanpakkerige nuchterheid: ‘De dingen zijn op dit moment nu eenmaal zoals ze zijn – wat kan ik nu doen om er het beste van te maken?’ Die aanvaardende houding kon ik natuurlijk niet altijd opbrengen, maar toch kon ik bij tegenslag relatief makkelijk de knop omzetten. 

Feitelijk verlies je energie door verzet tegen de situatie zoals hij is. En omdat ik tijdens mijn tocht zelf verantwoordelijk was voor alles, had ik niet de luxe om zinloos tegen te spartelen: ik had mijn energie hard nodig om überhaupt de tocht te kunnen lopen. 

Ook besteedde ik relatief weinig tijd aan ‘her-beslissen’, zoals Steven dat noemt. Had ik eenmaal een beslissing genomen, dan bleef ik daar (meestal) bij. Ik had geen ruimte en energie over voor eindeloos twijfelen en dubben en mezelf op de kop geven. 

Bovendien leerde de ervaring dat – wat ik ook deed – ik steeds weer interessante dingen mee maakte die ik eigenlijk niet had willen missen. Dat versterkte mijn vertrouwen in de beslissingen die ik nam.

Over zijn in de (semi)-wildernis

Dat de natuur in de Pyreneeën wild en ruig is, maakte dat effect nog sterker. De natuur in Nederland is vaak nog doortrokken met menselijke elementen, zoals verbodsbordjes, fietspaden en autogeluiden. En dat is soms fijn, want ik kan een goede kop koffie in een bosrestaurant enorm waarderen. 

Maar in veel gedeeltes van de Pyreneeën is de aanwezigheid van mensen alleen maar op te maken uit de rood-witte strepen van de GR. Dat maakt dat je je in de bergen op een prettige manier bewust wordt van je eigen nietigheid. Die bergen waren er al vele duizenden jaren langer dan jij, en ook na je dood zullen ze er nog min of meer zo bij liggen als nu. Dat relativeert.

De magische grootsheid van de Pic du Midi

Over op intuïtie beslissingen nemen

Tijdens de tocht moest ik heel veel beslissingen nemen. Doorgaan of stoppen? De berg op of in het dal blijven? Een omweg of niet? Bivakkeren of toch maar in de berghut slapen? Er was niemand om mee te overleggen, dus ik moest steeds zelf de knoop doorhakken. Vaak was het lastig om rationeel de argumenten tegen elkaar af te wegen, en heel vaak besliste ik dus ‘op intuïtie’. 

Tsja, wat is intuïtie? Dat weet niemand natuurlijk. Maar als ik terugkijk ben ik nog steeds tevreden over de beslissingen die ik heb genomen.

Daarbij was voorzichtigheid (of ‘gezonde angst’) steeds mijn leidraad – en dat maakte dat ik hele stukken oversloeg. Ik ben zo veel mogelijk risico’s uit de weg gegaan, omdat ik me heel verantwoordelijk voelde naar mijn familie en gezin toe.

In het begin vond ik het lastig dat ik vaak niet het wandelboekje volgde. Ik had me voorgenomen om de héle tocht te lopen – en niet steeds stukken over te slaan. Toen ik na drie dagen al de eerste twee etappes schrapte, moest ik echt slikken. Ik vond het een beetje slap van mezelf.

Ik denk dat ik daarbij ook wel een beetje beïnvloed ben door de stoere-jongens-taal die sommige wandelbloggers aanslaan. Stukken liften of etappes overslaan wordt door sommigen toch een beetje als een nederlaag gezien. Het devies is ‘Hike your own hike’, maar degenen die stoer elke meter lopen staan toch een tikje hoger in de wandelaars-rangorde. 

Dom natuurlijk. Iedereen is verschillend, en iedereen moet bij zichzelf heel precies nagaan wat goed voelt. Negeer je je intuïtie of je eigen grenzen en doe je netjes wat in het wandelboekje staat in plaats van wat je angst of je gezonde verstand je ingeeft, dan kan het zijn dat je daarvoor een hoge prijs moet betalen. Ook al was ik in het begin teleurgesteld in mezelf – achteraf ben ik heel tevreden dat ik steeds op mijn gevoel heb vertrouwd. Als ik terugkijk is alles precies goed verlopen. 

Over je droom volgen

Voordat ik daadwerkelijk op pad ging, droomde ik al een kleine dertig jaar van een solo-wandeltocht in de Pyreneeën. Toen ik een jaar of 25 was, maakte ik er mijn eerste wandel- en bivaktocht – maar dat was niet in mijn eentje. 

Later ben ik veel gaan wandelen (en later ook bivakkeren) in de Pyreneeën met mijn gezin, maar steeds bleef ik ernaar verlangen om een keertje in mijn eentje te gaan. Het leek me echter onmogelijk: veel te gevaarlijk en veel te moeilijk. 

Toch bleef ik dromen: ik las wandelboeken, spitte wandelblogs door, en bleef me verdiepen in solo-wandelen. En hoe meer ik erover las, hoe meer ik doorkreeg dat er veel meer mogelijk is dan ik dacht. Er zijn meer vrouwen die solo wandelen, óók in berggebieden. En als zij het kunnen, waarom niet ik?

Toch heeft het nog jaren geduurd voordat ik de knoop doorhakte. Maar ik ben blij dat ik mijn droom niet op heb gegeven. Dus mijn devies is: heb je een droom waarvan je denkt: dit is totaal niet realistisch – geef het niet bij voorbaat op. Lees erover, maak een visionboard, denk na over de spullen die je nodig hebt en maak een tijdsplanning. Hoe langer je jezelf blootstelt aan al deze informatie, hoe realistischer het hele idee wordt. En voor je het weet ben je op pad.

Daarbij kun je, zoals ik al eerder schreef, tussenstappen nemen, of eerst een minder uitdagend alternatief uitproberen. Eerst een pelgrimspad, in plaats van een natuurpad bijvoorbeeld. 

En ook is het slim om – zeker als je de bergen ingaat – eerst dagtochten, en daarna mini-trektochtjes te maken voordat je aan een langere tocht begint. Dan leer je het terrein kennen en leer wat je te wachten kan staan. 

Doe het!

Zoals ik al eerder zei: heb je het verlangen om solo op pad te gaan, doe het! Kies een pad dat past bij je mogelijkheden, lees je in, bereid je goed voor, en ga op weg. Het gaat je zoveel brengen, dat weet ik nu al!

Tot slot: dank jullie wel!

Als allerlaatste wil ik jullie graag bedanken! Het schrijven van het blog was voor mij zo’n fijne manier om steeds de balans op te maken, te verwerken wat ik tegenkwam, maar vooral ook te delen wat ik meemaakte. 

Voor mij was het zo ontzettend fijn om telkens te merken hoe jullie meeleefden. Het maakte dat ik de tocht niet helemaal in mijn eentje maakte, maar me steeds gesteund wist door jullie! 

Lieve groet,

Simone

DANK JULLIE WEL!

Related posts:

4 Comments

  1. Marieke

    Weer interessante ideeën hier. Begin van een nieuw boek?

    Reply
  2. Annet Verbeek

    Weer mooi opgeschreven Simone. Alleen wandelenin de (semi)ruige natuur heeft je veel gebracht. Mooi om te delen.

    Reply
  3. Ingrid Gorter

    Wat een mooi verhaal Simone!
    Zou een mooi artikel in een tijdschrift kunnen zijn!!!!!
    Wij vonden het heel erg leuk om je te kunnen volgen bij deze tocht.
    Tot ziens!

    Reply
  4. Arnout

    Ha zus!Wat een prachtig en betekenisvolle verhaal van je bijzondere wandeltocht in de Pyreneeën! Ik zie uit naar je volgende belevenissen, waar gaat je volgende reis naar toe? Groetjes van je broer!

    Reply

Submit a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *